Een verhaal vertellen hoeft niet moeilijk te zijn, en je hebt er niets voor nodig. Het is een spel dat je overal kunt spelen, in de trein, in de auto of tijdens het wachten. Eén persoon begint met een zin, en de volgende voegt er een stukje aan toe. Zo groeit er een verhaal dat niemand vooraf kende. De kinderen zijn de baas over de fantasie.
Zo begin je aan het verhaal
Kies een beginzin die de fantasie prikkelt. Bijvoorbeeld: er was eens een kleine draak die niet kon vliegen. Elke deelnemer voegt om beurt een paar zinnen toe. Er is geen goed of fout, en alles mag, hoe gek ook. Hoe absurder, hoe grappiger het verhaal wordt.
Spreek af wie het eerst mag beginnen en in welke volgorde jullie verdergaan. Zo weet iedereen wanneer zijn beurt komt. Jonge kinderen mogen korte stukjes vertellen, oudere kinderen meer. Een volwassene kan helpen door te vragen wat er daarna gebeurt. Dat houdt de vaart erin en helpt kinderen die even vastzitten.
Voeg regelmatig een verrassing toe, zoals een nieuwe hoofdpersoon of een onverwacht probleem. Kinderen vinden het heerlijk om het verhaal een andere kant op te sturen. Zo verandert de draak plots in een boer of belandt de held op de maan. Het gaat om de plezante wendingen, niet om de logica. Lachen is hier belangrijker dan een mooi verhaal.
Je kunt het verhaal ook koppelen aan de reis. Laat de personages door dezelfde landschappen rijden, of laat ze dezelfde trein nemen. Wat kinderen buiten zien, kan meteen een onderdeel van het verhaal worden. Een brug wordt een kasteelpoort en een weide een toverbos. Zo krijgt de reis een tweede laag die alleen jullie kennen.
Als het verhaal goed loopt, kun je het een vervolg geven op een volgende rit. Onthoud de hoofdpersonen en herhaal het begin, zodat kinderen zich alles herinneren. Sommige gezinnen bewaren de mooiste verhalen in een schriftje. Zo wordt een spelletje een familietraditie. De reis met verhalen blijft langer hangen dan de reis zonder.